Economische delict. Feitelijke leidinggeven. Opzet en schuld. Hoever strekt de opzet van de feitelijke leidinggever zich uit tot delictsbestanddeel dat door een culpoos bestanddeel wordt bestreken?

Advocaat economisch strafrecht. De Hoge Raad heeft op 4 december 2018 uitspraak gedaan over de reikwijdte van opzet en schuld ten aanzien van de bestanddelen van een economisch delict.

Feitelijke leidinggeven aan laten verwijderen van asbest uit kippenstallen zonder voorzorgsmaatregelen te nemen, begaan door rechtspersoon (art. 10.1.2 Wet milieubeheer) en feitelijke leidinggeven aan in bodem brengen van verontreinigd puin van afgebrande sauna terwijl redelijkerwijs had kunnen worden vermoed dat daardoor bodem kon worden verontreinigd, opzettelijk begaan door rechtspersonen (art. 13 Wet bodembescherming).

Opzet feitelijke leidinggever met betrekking tot de overtreding (verwijderen asbest) en het misdrijf (in bodem brengen van verontreinigd puin).

Blijkt in feitelijke leidinggeven besloten liggend opzet verdachte op verboden gedraging (verwijderen asbest) uit bewijsvoering? Strekt opzet feitelijke leidinggever zich uit tot delictsbestanddeel (“dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd”) dat door culpoos bestanddeel wordt bestreken (“redelijkerwijs had kunnen vermoeden”)? Art. 13 Wet bodembescherming en art. 1a en 2.1 WED.

Op 13 januari 2013 is op het terrein van B B.V., waarvan verdachte de directeur en enig aandeelhouder is, een gebouw afgebrand waarin een buitensauna was gesitueerd. In opdracht van verdachte is het puin van de afgebrande buitensauna afgevoerd. Verdachte heeft verklaard dat alle houten stukken voorafgaande aan de afvoer tussen dit puin uit zijn gehaald. Het puin is uiteindelijk gestort onder een nieuw wegdek op het terrein van A B.V. (waar verdachte een pluimveebedrijf exploiteert).

Een betrokkene, de bedrijfsleider van A B.V., heeft verklaard dat hij het van de brand afkomstige puin van de Sauna bij A B.V. in de bodem heeft gebracht. Verdachte vroeg hem of hij een plekje wist voor dit puin. Daarna heeft de betrokkene het puin in de grond gebracht.

Tijdens het onderzoek in de bodem op het terrein van A B.V. is direct onder het asfalt gebroken puingranulaat aangetroffen met daaronder puin bestaande uit gebroken bakstenen en (grote) brokken beton. De gebroken bakstenen waren zwart aan de buitenkant en rood/oranje aan de binnenkant. Op de stenen waren roetplekken te zien. Tijdens het opgraven van dit puin rook de aanwezige verbalisant een sterke brandlucht. Het hof gaat er derhalve van uit dat voornoemd puin afkomstig was uit de brand bij B.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat geen sprake geweest kan zijn van gerecycled puin. Het hof stelt vast dat het (verontreinigde) puin onbewerkt in de bodem is gebracht.

Naar het oordeel van het hof kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk in de bodem brengen van het uit de brand in B afkomstige puin. Voorts acht het hof bewezen dat de bodem door dit handelen verontreinigd kon worden. Verdachte had dit – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – redelijkerwijs kunnen vermoeden. Ook zijn door verdachte geen maatregelen genomen om deze eventuele verontreiniging te voorkomen.”

Het Hof heeft feit 1 gekwalificeerd als overtreding (“overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”) en feit 6 als misdrijf (“overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven”).

Economische delict. Feitelijke leidinggeven. Opzet en schuld. Hoever strekt de opzet van de feitelijke leidinggever zich uit tot delictsbestanddeel dat door culpoos bestanddeel wordt bestreken?

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2016, HR:2016:733, omtrent het feitelijke leidinggeven onder meer het volgende overwogen:

“Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. (…)

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

 In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.”

Het middel voert ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 aan dat uit de bewijsvoering het in het feitelijke leidinggeven besloten liggende opzet van de verdachte op de verboden gedraging niet blijkt.

Het Hof heeft met betrekking tot feit 1 vastgesteld dat:

– de verdachte bestuurder was van A B.V.;

– de verdachte als directeur de dagelijkse leiding had en de eindverantwoordelijkheid droeg;

– de verdachte de kippenstallen in 1977 zelf heeft laten bouwen;

– op aanwijzing van de verdachte en in overleg met hem de bedrijfsleider in 2011 is begonnen met de verbouwing van de kippenstallen, waarbij openingen zijn gezaagd in de wandbeplating van die kippenstallen;

– in die wandbeplating asbest zat.

Het Hof heeft voorts overwogen dat, gelet op de omstandigheid dat de kippenstallen vóór 1993 zijn gebouwd, het een feit van algemene bekendheid is dat “zich in dergelijke bouwwerken – met name die met een agrarische bestemming – (ook in wandplaten) asbesthoudende materialen kunnen bevinden”.

In deze overwegingen ligt als het oordeel van het Hof besloten niet alleen dat de verdachte – in aanmerking genomen zijn betrokkenheid bij de werkzaamheden aan de kippenstallen door het laten verwijderen van mogelijk asbesthoudende wandbeplating – als bestuurder en directeur bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedraging van de rechtspersoon, hij dit heeft nagelaten en hij daardoor deze gedraging heeft bevorderd, maar ook dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

Het middel klaagt wat betreft feit 6 over het oordeel van het Hof “dat het ‘redelijkerwijs kunnen vermoeden (dat de bodem verontreinigd kon worden)’ voldoende is voor het bewijs van het voor leidinggeven vereiste opzet”.

De voor de beoordeling van deze klacht van belang zijnde wettelijke bepalingen luiden als volgt.

– Art. 13 Wet bodembescherming:

“Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

– Art. 1a WED:

“Economische delicten zijn eveneens:

(…)

1°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

(…)

de Wet bodembescherming, de artikelen 6 tot en met 13 (…)”

– Art. 2, eerste lid, WED:

“De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan (…)”

De klacht faalt omdat deze berust op de onjuiste opvatting dat het opzetvereiste zich in een geval als het onderhavige ook uitstrekt tot het delictsbestanddeel “dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd”. Die opvatting vindt immers geen steun in het recht, omdat blijkens de delictsomschrijving ten aanzien van dat bestanddeel ook “redelijkerwijs had kunnen vermoeden” toereikend is.

De conclusie bij dit arrest geeft een nadere invulling van het begrip feitelijk leidinggeven:

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.

Feitelijk leidinggeven veronderstelt dus opzet, met voorwaardelijk opzet als ondergrens. Waar dat opzet op moet zien is evenwel afhankelijk van het type delict. Bij doleuze misdrijven is dat vrij duidelijk en levert dat ook vrij weinig discussie op. Voor een bewezenverklaring van feitelijk leidinggeven aan een opzetdelict is vereist dat sprake is van opzet op het leidinggeven zelf en op de verboden gedraging die door de rechtspersoon wordt begaan. Feitelijk leidinggeven aan culpoze misdrijven en overtredingen is echter evengoed mogelijk. Het gaat in dat geval om opzettelijk leidinggeven aan een verboden gedraging. Als de verboden gedraging een overtreding oplevert, is opzet op die gedraging niet vereist. Ik verduidelijk het aan de hand van de Enschedese vuurwerkramp-zaak. In die zaak stond het feitelijk leidinggeven aan een culpoos delict, te weten het door een rechtspersoon niet opzettelijk te veel en te zwaar vuurwerk opslaan. Voor een bewezenverklaring is in dat geval vereist dat sprake is van opzet op het aanwezig hebben van vuurwerk en niet op het aanwezig hebben van te veel of te zwaar vuurwerk.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het economisch strafrecht, over het milieustrafrecht of over het financieel strafrecht, over de rechtspersoon in het strafrecht, over het feitelijk leidinggeven in het strafrecht, of over schuld en opzet in het economisch- of milieustrafrecht, belt u dan gerust het telefoonnummer 020-72 67 007.

 

2018-12-17T09:32:56+00:00 17 dec 2018|