Voorwaarden voor het opleggen van TBS met dwangverpleging. Voorwaardelijke opzet op zware mishandeling? Toerekeningsvatbaarheid. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Advocaat strafrecht. De Rechtbank Amsterdam heeft op 16 november2018 uitspraak gedaan over de noodzakelijke voorwaarden voor het opleggen van TBS met dwangverpleging.

Niet was voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging (art. 37a Sr)

Alleen een plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis was mogelijk (art. 37 Sr).

Voorwaardelijke opzet op de zware mishandeling?

De rechtbank is van oordeel dat de mishandelingen die onder 1 en onder 3 zijn tenlastegelegd, kunnen worden bewezen op grond van de stukken in het dossier, waaronder de bekennende verklaring van verdachte.

Voor een bewezenverklaring van het onder 2 primaire verwijt, poging tot zware mishandeling, is vereist dat verdachte bij de mishandeling van de aangever op zijn minst het voorwaardelijk opzet heeft gehad om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte meermalen met zijn vuist tegen het hoofd van persoon 2 heeft geslagen, waaronder tegen de slaap.

Getuige (persoon 3) heeft verklaard dat verdachte ‘als een wilde tekeer’ ging. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat ‘het er heftig aan toe ging’. Vervolgens is verdachte doorgegaan met het mishandelen van persoon 2 door hem tegen het lichaam te schoppen nadat hij op de grond was terecht gekomen. Verdachte droeg daarbij slippers. Verdachte is pas met de geweldshandelingen gestopt toen medepatiënt (persoon 4) ingreep.

Hoewel er een kans is op zwaar lichamelijk letsel als iemand wordt geslagen tegen het hoofd, waaronder de slaap, en/of wordt geschopt terwijl hij op de grond ligt, acht de rechtbank die kans in dit geval niet aanmerkelijk.

Ten aanzien van het schoppen gaat het immers om schoppen met ongeschoeide voet -slippers-, waarvan naar algemene ervaringsregels niet kan worden geoordeeld dat de kans aanmerkelijk is dat iemand daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Ten aanzien van de klappen en schoppen kan verder niet worden vastgesteld waar en met welke kracht verdachte persoon 2 heeft geraakt.

Het dossier bevat namelijk geen letselverklaring waaruit de ernst van het letsel blijkt. Uit zijn eigen verklaring leidt de rechtbank bovendien af dat persoon 2 weliswaar behoorlijk klachten had (namelijk: pijn aan zijn lichaam, hoofd en nek, twee builen op zijn achterhoofd, een pijnlijke rechterknie en een aantal dagen pijn aan zijn linker kaak tijdens het kauwen), maar dat het letsel niet heel ernstig was. Zo heeft hij verklaard dat het niet meer nodig was om met zijn klachten naar de huisarts te gaan omdat zijn klachten binnen twee dagen over waren.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging zware mishandeling.

Toerekeningsvatbaarheid. Ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de feiten niet kunnen worden toegerekend aan verdachte en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte Pro Justitia psychiatrische rapportage van 1 augustus 2018, opgemaakt door drs. V en van de Pro Justitia psychologische rapportage van 28 augustus 2018, opgemaakt door drs. W. Tevens is psychiater V ter terechtzitting gehoord.

De deskundigen rapporteren, zakelijk weergegeven, eensluidend als volgt.

Verdachte heeft een lichte tot matige verstandelijke beperking.

Hierdoor kan hij complexe situaties niet goed overzien en begrijpen, zijn oorzaak en gevolgrelaties niet goed inzichtelijk voor hem en is hij snel angstig. Tevens heeft hij symptomen van een autisme spectrum stoornis. Vanuit zijn autistische problematiek is verdachte niet in staat om te relativeren en emoties lopen snel hoog op. Hij is hierdoor beperkt in het vermogen zich in anderen te verplaatsen.

Daarnaast is bij verdachte sprake van een psychotische kwetsbaarheid die zich onder meer kenmerkt door wanen, hallucinaties en een gebrek aan realiteitszin. De angst en boosheid van verdachte zijn te herleiden tot het ervaren van ‘djins’ (geesten) die hem kwaad willen doen of hem opdragen om dingen te doen, hetgeen tot psychoses leidt. Verdachte weet dat hij niet mag slaan en schoppen, maar raakt door zijn stoornissen onderhevig aan heftige emoties die hij niet kan plaatsen, overzien of beheersen. Wanneer anderen onrechtvaardig, boos of ongeduldig zijn, dan roept dat bij verdachte boosheid op wat wordt versterkt door de invloed van de ‘djins’, die hem aanzetten tot agressie. Bij alle ten laste gelegde mishandelingen speelden deze factoren een rol.

De deskundigen concluderen dat verdachte aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens lijdt in de vorm van een matige verstandelijke beperking. Tevens lijdt hij aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een autisme spectrum stoornis en een psychotische kwetsbaarheid.

Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

De deskundigen adviseren verdachte voor het tenlastegelegde als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en volgt dit advies.

De bewezen verklaarde mishandelingen kunnen verdachte om die reden niet worden toegerekend. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Opleggen van TBS. Voorwaarden voor het opleggen van TBS met dwangverpleging.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, onder 2 primair en onder 3 bewezen geachte feiten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd.

De verdediging heeft bepleit om verdachte, conform het advies van de psycholoog en psychiater, volledig ontoerekeningsvatbaar te achten en derhalve te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de enige juiste maatregel, nu niet is voldaan aan de voorwaarden van TBS.

Het oordeel van de rechtbank

Naast de voornoemde Pro Justitia rapportages van 1 augustus 2018 en 28 augustus 2018 is door E, reclasseringsmedewerker, op 4 oktober 2018 een reclasseringsrapportage opgesteld.

Uit deze rapportages en aan de ter terechtzitting van 2 november 2018 afgelegde verklaringen van psychiater V en reclasseringsmedewerker E, wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

In hun rapportages hebben zowel de psycholoog als psychiater geadviseerd om verdachte te behandelen binnen een gedwongen kader.

Volgens psycholoog W en reclasseringsmedewerker E verdient het de voorkeur om verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen, mits er binnen dit kader een kliniek kan worden gevonden die passend is bij de problematiek van verdachte.

Psychiater V heeft zowel in haar rapportage als op zitting opgemerkt dat hierbij een complicerende factor is dat verdachte reeds in meerdere klinieken heeft verbleven die niet de juiste begeleiding en behandeling konden bieden of die verdachte weigerden te blijven behandelen omdat zij de veiligheid van hun medewerkers en overige patiënten niet meer konden waarborgen.

Daarnaast vreest V dat de termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis onvoldoende zal zijn, omdat verdachte een langdurige behandeling nodig zal hebben.

Hoewel aansluitend aan een artikel 37 Sr maatregel behandeling in het kader van een BOPZ maatregel mogelijk is, is het hoogst onzeker of dit in dezelfde kliniek kan plaatsvinden.

Betrokkene zal in dat geval moeten worden overgeplaatst, wat onwenselijk is omdat continuïteit in zijn behandeling noodzakelijk is.

Behandeling van verdachte in een TBS-kader met dwangverpleging zou daarom meer aangewezen zijn, aldus Veldman.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37 Sr de aangewezen maatregel is voor verdachte, dan adviseren zowel V als E dat verdachte geplaatst wordt in een kliniek van Stichting Trajectum.

Deze kliniek is een voor verdachte passende kliniek omdat zij een hoog beveiligingsniveau heeft en is gespecialiseerd in het klinisch behandelen van mensen met een verstandelijke beperking, in combinatie met psychiatrie en gedragsproblematiek, in een forensisch kader.

Volgens psychiater V is verdachte gebaat bij een continue behandeling met begrenzingen, zonder dat vaak wordt ingegrepen.

Daarom verdient het de voorkeur dat bij de behandeling van verdachte niet teveel van hem wordt verwacht en dat er aangesloten wordt bij de duidelijke kaders, zoals die aan verdachte in het PPC werden geboden. Deze kaders zijn begrenzen, weinig druk opvoeren en veel ondersteuning bieden bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.

De rechtbank komt niet toe aan verdere beoordeling van de vraag binnen welk kader de behandeling van verdachte dient plaats te vinden omdat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging en alleen een 37 Sr maatregel mogelijk is.

Verdachte wordt immers vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling en alleen de drie mishandelingen zijn bewezen verklaard.

De rechtbank stelt vast dat mishandeling geen TBS-waardig delict is omdat naar de wettelijke omschrijving van artikel 300 Sr daarop geen gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en het evenmin behoort tot één van misdrijven genoemd in artikel 37a lid 1 Sr.

Hiermee is niet voldaan aan alle vereisten voor het oplegging van de TBS-maatregel.

Nu TBS daarom niet tot de mogelijkheden behoort, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst, waarbij wordt benadrukt dat het de sterke voorkeur verdient verdachte te plaatsen in de forensische psychiatrische kliniek.

De rechtbank acht na te noemen maatregel geboden, aangezien verdachte gevaarlijk is voor de algemene veiligheid van personen.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande voor een termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis te worden geplaatst.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken, klik dan hier.

Heeft u een vraag over opzet en voorwaardelijk opzet, over toerekeningsvatbaarheid, over ontslag van alle rechtsvervolging, of over TBS met dwangverpleging of over een opname in een psychiatrisch ziekenhuis of over de BOPZ, belt u dan gerust het telefoonnummer 020-72 67 007.

 

 

 

 

2018-11-29T07:58:27+00:00 29 nov 2018|